Hoe lieflijk ook het koele briesje
die de bloem aait, en haren streelt
een gezicht wat verkoeling geeft
en betijt in een zucht van sereniteit
Zij is één, en onvermijdelijk verbonden
met de wind, de storm, die losbarst
Driftig en vol van vernielzucht
dat ontneemt, geheel en in totaliteit
stijfhoofdig en verbeten
geen gehoor geeft
aan argumenten voor en tegen
En toch waait nergens een wind
zo volhardend en gestaag
zonder dat ook hij opnieuw
de vrede, de rust en harmonie vindt
